Teylers Museum

Spaarne 16
2011 CH Haarlem, NL
T [+31] (0)23 516 0960
E info@teylersmuseum.nl
W www.teylersmuseum.nl
Perscontacten:
E pers@teylersmuseum.nl

Groepen, zakelijke gasten en leveranciers
s.v.p. melden bij de dienstingang
Nauwe Appelaarsteeg 3
2011 HA Haarlem
T 023 5160969 (Meldkamer)

Verhalen

Een tijdgenoot over Teyler
Wat we over Pieter Teyler van der Hulst weten, is gedestilleerd uit zijn testamenten, koopacten, obligaties en kasboeken. We noemen hem een verlicht burger, nieuwsgierig, religieus, sociaal bewogen en puissant rijk. Enkele tijdgenoten laten zich minder lovend over hem uit. De Haarlemse kostschoolhouder Willem van den Hull, die in het sterfjaar van Teyler in een huisje aan de Nauwe Appelaarsteeg werd geboren, schrijft in zijn autobiografie: ‘Ik herinner mij nog zeer duidelijk uit mijne vroege jeugd, dat er in onze buurt, vlak tegenover onze woning, ene zeldzame drukte heerste, dewijl men alle de daar staande kleine woonhuizen begon af te breken en onmiddellijk daarna de grondslagen gelegd werden voor het bekende gesticht of Fundatiehuis van Teyler van der Hulst. Deze, om zijne gierigheid te Haarlem zo beruchte man, die gedurende zijn leven schier gebrek leed en toch zoo vele miljoenen bezat, was enige maanden voor mijne geboorte overleden, en nu verspreiden zijne nagelaten schatten welvaart onder de ambachtslieden.'
Nadat in 1779 de eerste steen was gelegd, kwam in 1782 de Ovale Zaal uit de steigers. Het zou nog twee jaar duren voordat de nu oudste museumzaal van Nederland voor het publiek werd geopend.

Lodewijk Napoleon in Teylers Museum
In 1806 werd Lodewijk Napoleon door zijn broer tot koning van Holland benoemd om alhier de belangen van het Franse keizerrijk te behartigen. Op 29 april 1807 bracht hij een bezoek aan Haarlem, waar hij enkele bloemisterijen aandeed, de Grote Kerk, het Diaconiehuis, maar ook het gebouw van de Hollandsche Maatschappij en dat van Teyler. Dat waren geen plichtplegingen, maar bezoeken vanwege zijn grote interesse in de kunsten en wetenschappen, waarvoor hij naar Frans model een Koninklijk Instituut wilde oprichten, de latere Koninklijke Academie van Wetenschappen. Hij was ook de stichter van het latere Rijksmuseum en de grondlegger van een natuurhistorisch museum, een verre voorloper van het huidige Naturalis.
Voor de nieuwe vorst deed Van Marum enkele proeven met zijn grote, ruim twintig jaar oude elektriseermachine. Het verhaal gaat dat Lodewijk Napoleon zeer onder de indruk was van de machine en dat hij het effect van de statische elektriciteit op een van zijn soldaten wilde uitproberen. Met moeite kon Van Marum de vorst van dit experiment afhouden, maar om hem niet geheel teleur te stellen, wisselde men een van zijn manschappen in voor een koe. Het arme beest ging meteen door de knieën.

Napoleon en Martinus van Marum
Na de inlijving van het koninkrijk Holland bij Frankrijk bracht de keizer meerdere malen bezoeken aan onze gewesten. Zijn interesse ging vooral uit naar de militaire posities bij de Schelde, Amsterdam en Den Helder. In het najaar van 1811 is Napoleon in Haarlem waar hij wordt uitgenodigd in Teylers Museum. Hoe trots de stad op dit instituut is, blijkt uit het feit dat Napoleon in het Fundatiehuis van Teylers Stichting audiëntie verleent aan burgemeester en wethouders, leden van de rechtbank en de geestelijkheid. Men verkoos de Grote Herenkamer dus boven de Gravenzaal. Napoleon zelf was minder onder de indruk van deze stichting en tijdens een rondleiding in de Ovale Zaal moest vooral de erudiete en veelzijdige Martinus van Marum het ontgelden. Boven, op de galerij, raakte Napoleon in gesprek met een van de Directeuren die hij de nog nooit gestelde vraag deed: ‘Eh bien, Monsieur, quels sont vos revenus?'. Waarop Van Zeebergh ontwijkend antwoordde: ‘Ah Sire, vraiment, je ne sais pas trop, la réduction des rentes, et autres cirsonstances..' Daarop pakte Napoleon Van Zeebergh, die wat voorovergebogen stond in verband met de kleine gestalte van de vorst, bij het oor en beet hem toe: ‘Je comprends, vous ne le voulez pas dire, mais je le saurai.' De politieke gebeurtenissen van de daaropvolgende jaren hebben dit laatste verhinderd.

Nina en de monniken
In 1790 logeerde de 20-jarige Nina d'Aubigny uit Kassel bij haar oom en tante in Haarlem. Op 18 augustus bezocht zij het net geopende Teylers Museum en noteerde over die dag in haar dagboek: ‘Teyler was een zeer gierig man die vijf miljoen heeft nagelaten om een instituut voor schone kunsten te stichten. Vanmorgen zagen we dat gebouw. De elektriseermachines zijn superieur aan alle andere in Europa. We klommen naar de top van de toren [=sterrenwacht] om het uitzicht te zien, maar het weer was niet helder. De manuscripten in dit museum zijn prachtig geschreven en getekend door monniken die geloofden dat ze hun zonden daarmee konden afkopen. Daarom zijn ze zo goed gemaakt.'
Nina bofte want de geïllumineerde handschriften waren nog maar net door het museum aangeschaft. Ze kwamen uit de enorme bibliotheek van Pietro Antonio Crevenna, een Amsterdamse koopman in snuif en tabak. Tussen 26 april en 15 juni 1790 werden maar liefst 8064 nummers geveild. Het eerste handschrift dat het museum verwierf, was de Pontificale van Thérouanne uit omstreeks 1455-56, met 137 pagina's op perkament, met veertien miniaturen en een begeleidende tekst in het Latijn. Het tweede manuscript is een getijdenboek door Jean Poyet uit Tours, dat omstreeks 1485-1490 ontstond, 144 pagina's op perkament, met 25 miniaturen over de volle pagina en ook een tekst in het Latijn. Het museum betaalde er samen 785 gulden voor. Ze worden allang niet meer aan toevallige passanten getoond.

Portretten van Van Marum
In 1826 besloten Directeuren van Teylers Stichting de twee grondleggers van de museale verzamelingen met een portret te eren. Deze schilderijen moesten in de regentenkamer van Teylers hofje het statieportret van de eerste directeuren flankeren. Omdat Wybrand Hendriks, de ene geëerde, zelf kunstschilder was, leverde hij onmiddellijk hiervoor een zelfportret in, terwijl de andere, Martinus van Marum, zich liet portretteren door de Haarlemse kunstenaar Woutherus Mol. De ijdele Van Marum vond zijn portret echter zo onaantrekkelijk dat hij Directeuren verzocht zijn tronie te vernietigen. Ter vervanging van de ‘lelijke Mol' bood hij zijn portret door de beroemde portretschilder Charles Howard Hodges aan. Op hun beurt weigerden Directeuren dit portret omdat zij er niets in zagen een goedgelijkend portret te vervangen door een ander. Dat Van Marum zo snel een vervanger kon leveren, kwam omdat hij al voor Hodges had geposeerd. In 1826 was Van Marum namelijk vijftig jaar in dienst bij de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, welk instituut hem ook met een portret wilde eren. Hodges kreeg de opdracht en Van Marum was zeer tevreden. Het geweigerde schilderij bleef bij Van Marum thuis hangen en na zijn dood ruim anderhalve eeuw bij nazaten. Pas in het jaar 2000 kwam het portret alsnog in Teylers Museum terecht. Was Van Marum toen ‘om zijn eigenzinnigheid en veeltijds onvriendelijke handelswijzen minder algemeen geacht', nu was er geen enkele aanleiding meer om zijn portret te weigeren.

Salomo's oordeel
Toen Winkler in 1856 voor het eerst Teylers Museum bezocht, zag hij een groot been in een van de wandkasten liggen. De toenmalige directeur Van Breda wist over dat been het volgende verhaal te vertellen.
"Zooals gij ziet...", begon de professor, "is dit been een brok van den kop van een walvisch, gevonden in den grond van een kelder in Parijs." Het ging om een bot dat nogal wat gerucht maakte in de geleerde wereld van rond 1780. Van Marum was daardoor geïnteresseerd om het voor Teylers Museum aan te schaffen. Van Breda vertelde vervolgens: "In dien zelfden tijd trachtte Cuvier dit been te kopen voor den Jardin des Plantes te Parijs. De beide mededingers wilden niet voor elkander wijken, en boden beurtelings een groote som gelds aan den eigenaar van het been. Eindelijk besloten zij het voorwerp te verdeelen, en het beroemde oordeel van Salomo na te volgen, namelijk door het fossiel in twee stukken te verdeelen, het eene voor Cuvier en het andere voor Van Marum. Zij lieten een timmerman komen om het in tweeën te zagen, en dat is de oorzaak van de insnijding, die men nog tegenwoordig in dit been bespeurt."
Van Breda vervolgde zijn relaas waarschijnlijk met opgestoken vinger: "Maar toen begon het gevoelige hart van Cuvier te spreken, gelijk dat van de joodsche moeder voor den troon van den wijzen koning, en, den timmerman belettende met zagen voort te gaan, stond hij het geheele been aan Van Marum af, en deze zond het onmiddelijk naar Haarlem."
Hoewel het hier om een fraai verhaal gaat, duiden bepaalde elementen erop dat hier één en ander vezonnen is. Van Marum kocht het bot in 1785. Cuvier was toen amper 16 jaar oud en het zou nog 10 jaar duren voordat hij naar Parijs zou komen. Ook is het in tegenspraak met de dagboeken van Van Marum.

Schedels van Dubois
Elke conservator heeft wel zijn specialisme dat weerspiegeld wordt in de collectie. Zo werden de resten van aap- en mensachtigen aan het begin van de Tweede Fossielenzaal toegevoegd door Eugène Dubois (1858-1940). Als officier gezondheid 2de klas kwam hij in Nederlands Indië terecht waar hij de missing link tussen aap en mens probeerde te vinden. Met twee onderofficieren en zo'n vijftig dwangarbeiders deed hij tevergeefs onderzoek op Sumatra maar op Java had hij meer succes. In de jaren 1891 en 1892 vond hij daar zowel een fossiele verstandskies, een dijbeen en een schedelkapje. Het dijbeen toonde aan dat het een rechtoplopend wezen was. Het schedelkapje verraadde een herseninhoud die beduidend kleiner was dan die van de moderne mens. Dubois had zijn rechtopgaande aapmens gevonden welke hem wereldberoemd zou maken. Met nog tienduizenden Javaanse zoogdierfossielen werden zijn vondsten staatseigendom en kwamen bij terugkeer in het Leidse Rijksmuseum van Natuurlijke Historie terecht. Hij kon echter geen afstand doen van de menselijke resten . Die bewaarde hij in een van Teylers Museum verkregen kluisje, totdat ze in 1923 onvoorwaardelijk door Nederlandse Staat werden opgeëist. Vergezeld van twee begeleiders en een geladen pistool bracht Dubois zelf met de trein zijn schatten naar Leiden over. Vandaar dat Teylers Museum zich nu met afgietsels van kapje en dijbeen tevreden moet stellen. Ze worden trouwens vergezeld van veel meer afgegoten resten van mensachtigen, die dienen als vergelijkingsmateriaal, zoals de inhoud van hersenholten.

E-mail Teylers Museum