Teylers Museum

Spaarne 16
2011 CH Haarlem, NL
T [+31] (0)23 516 0960
E info@teylersmuseum.nl
W www.teylersmuseum.nl
Perscontacten:
E pers@teylersmuseum.nl

Groepen, zakelijke gasten en leveranciers
s.v.p. melden bij de dienstingang
Nauwe Appelaarsteeg 3
2011 HA Haarlem
T 023 5160969 (Meldkamer)

KEIZER NAPOLEON IN TEYLERS MUSEUM

012

Het museum stond zondag 30 oktober 2011 in het teken van Napoleon. De keizer had veel belangstelling voor de wetenschap. Op 24 oktober 1811 bezocht hij het toen al bestaande Teylers Museum. In de Grote Herenkamer verleende hij audiëntie aan de Haarlemse notabelen. En hij kreeg uitleg over de grote Elektriseermachine (de grootste ter wereld), die zich nog steeds in originele staat bevindt.

Zondag 30 oktober 2011 vertelden rondleiders het verhaal over Napoleon op dezelfde plekken waar de keizer zijn voetstappen achterliet. Daarnaast bracht Napoleon weer een bezoek aan het museum; bezoekers konden zich met de Franse keizer laten fotograferen.

De activiteiten maken deel uit van de speciale Napoleon route.
Lees hier over de Napoleon route die Oneindig Noord - Holland zondag 30 oktober organiseert.

Nieuwsgierig naar Napoleons bezoek aan Teylers Museum? Lees dan het artikel hieronder van conservator Bert Sliggers.

Continuez, mais tachez surtout d'être utile


KEIZER NAPOLEON IN TEYLERS MUSEUM


Door Bert Sliggers

Nauwelijks was Nederland bij het Franse Keizerrijk ingelijfd of Napoleon zelf kwam in zijn nieuwe departementen poolshoogte nemen. Kwam hij op 23 september 1811 te paard in Zeeuws Vlaanderen aan, precies een maand en een dag later werd Haarlem officieel door hem bezocht. Overal probeerden dorpen en steden een zo'n goed mogelijke indruk te maken door erebogen op te richten, openbare gebouwen te verlichten, vuurwerk af te steken en in het beste Frans toespraken te houden. En dat in een periode van grote economische malaise, werkeloosheid en meer afbraak dan nieuwbouw omdat men het onderhoud en de belastingen niet meer kon betalen. Maar veel begrip hadden de prefecten, de bestuurders van de nieuwe departementen, niet voor deze situatie.


In haast
Op 24 september kreeg de burgemeester van Haarlem de opdracht om "de geheele bevolking in beweging te zetten. Men moet de inwoners engageeren om hunne huizen met tapijten, met bloemwerken en met emblematas te versieren, men moet alles doen om dit evenement vreugde bij te zetten. Eindelijk moet er ook gezorgd worden dat er met geen geweren geschoten worde, of eenige dergelijke vreugdebetooningen plaats grijpen." Omdat niet precies bekend was wanneer de Keizer en Keizerin Marie Louise hun bezoek zouden brengen, waren de in allerijl opgerichte bogen en opgehangen bloemstukken soms al aan vervanging toe als het bezoek werkelijk plaatsvond. Zo schreef op 15 oktober de onder-prefect dat alle guirlandes te Haarlem al verwelkt waren en dat deze onmiddellijk vernieuwd dienden te worden, evenals de erepoorten aan de invalswegen, omdat het niet onmogelijk was dat het keizerlijk paar overmorgen de stad zou aandoen.

Bloemen

Eigenlijk was het alleen de Keizerin die die dag (17 oktober) Haarlem bezocht omdat Napoleon pas zeer gehaast 's avonds om half acht de burgemeester nog even de hand schudde, na laat van Beverwijk vertrokken te zijn. Marie Louise was ondertussen alleen naar Amsterdam afgereisd. Op de Grote Markt hadden de bewoners van het noodlijdende Diaconiehuis, in ruil voor een voedzame maaltijd, een palmtak in de hand geduwd gekregen met het verzoek te zwaaien en vooral te juichen. Ze had gedineerd op Paviljoen Welgelegen, kort daarvoor nog het zomerpaleis van Koning Lodewijk, en ze had het beroemde Müllerorgel in de Sint Bavo horen bespelen. Vlak voor haar vertrek, had Marie Louise kenbaar gemaakt dat zij sommige bloemen zo mooi had gevonden, waarop het stadsbestuur had beloofd haar iedere morgen bloemen te bezorgen zolang ze in Amsterdam verbleef. Dat ze had gezegd er ook wel voor te willen betalen, was niet tegen dovemansoren verteld. Vlak voor haar vertrek werd haar nog een rekening van 372 gulden in de hoofdstad gepresenteerd.

Haarlem: 24 oktober 1811

Op 24 oktober was het de Keizer die al om zeven uur 's ochtends uit de hoofdstad naar Haarlem vertrok, enkele uren later gevolgd door zijn vrouw. Na enkele plichtplegingen ten overstaan van burgemeester Barnaart, spoedde het gezelschap zich direct naar Teylers Museum. Omdat bekend is dat Napoleon om tien uur alweer richting Leiden vertrok, moet de ontvangst in Teylers Museum omstreeks half negen hebben plaatsgevonden. Het museum had pas in 1784 officieel zijn deuren geopend maar had in korte tijd al zo'n bekendheid dat ook de Keizer van dit instituut op het terrein van kunst als wetenschap kennis wilde nemen. Het was allemaal begonnen in 1778 bij het overlijden van de rijke Haarlemse zijdehandelaar en later bankier Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778). Hij had in zijn testament laten vastleggen dat zijn vergaarde kapitaal voornamelijk besteed moest worden aan de aanmoediging en bevordering van kunst, wetenschap en religie. Zijn verzamelingen moesten daartoe worden uitgebreid, twee geleerde genootschappen moesten een en ander via het uitschrijven van prijsvragen bevorderen en de behoeftige, bejaarde medemens werd getrakteerd op een nieuw hofje. Niemand kon toen nog vermoeden dat het hieruit voortgekomen Teylers Museum het Verlichtingsbolwerk bij uitstek zou worden. Kennisoverdracht stond hoog in het vaandel van de eerste directeur Martinus van Marum (1750-1837). In 1773 promoveerde hij te Groningen tot doctor in de wijsbegeerte, waarna hij zijn graad in de medicijnen haalde. Zijn in 1776 gepubliceerde resultaten van proefnemingen met een zelfgebouwde elektriseermachine werden in de wetenschappelijke wereld enthousiast ontvangen. In hetzelfde jaar streek Van Marum in Haarlem neer, welke keuze vooral was ingegeven door het bloeiende intellectuele leven in deze stad. Hier hield hij openbare lessen en in hetzelfde jaar werd hij benoemd tot directeur van het natuurhistorisch museum van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, die hij vanaf 1794 bovendien als secretaris zou dienen. Ondertussen was hij lid geworden van Teylers Tweede Genootschap en in 1784 aangesteld als directeur van het Museum en de Bibliotheek van Teylers Stichting. In elk van de genoemde functies legde hij zich toe op de verbreding van wetenschappelijke kennis en ideeën. Daarnaast was hij ook zelf als onderzoeker werkzaam. Deze activiteiten gaven zijn naam een internationale bekendheid.

De aantekeningen van Van Marum
Het zijn de nagelaten aantekeningen van Van Marum die ons in staat stellen het bezoek van Napoleon aan Teylers Museum te reconstrueren (Geschiedenis van Teylers Museum, 1823-1833 (manuscript), Collectie Noord-Hollands Archief, Haarlem; Archief van Martinus van Marum, inv. nr. 9). Hoewel zijn relaas enigszins gekleurd zal zijn door de ondertussen slechte verhoudingen met het stichtingsbestuur, vijf Directeuren, zal de strekking van zijn onderhoud met de Keizer wel op waarheid berusten. In ieder geval werd Van Marum door de Keizer gesterkt in zijn aanpak ‘ten nutte van het algemeen' en dat overdracht van kennis naar brede lagen van de bevolking -bijvoorbeeld door onderwijs- heel belangrijk, zo niet noodzakelijk was. In die richting dachten Directeuren niet. Van Marum had zich ook al ingezet om van de Hollandsche Maatschappij een veelomvattend instituut te maken, gemodelleerd naar het Institut de France, dat door tegenwerking van zijn superieuren op niets was uitgelopen. Daarna werd Van Marum, onder Lodewijk Napoleon, benoemd in de commissie tot oprichting van een Koninklijk Instituut, dat in 1808 gerealiseerd werd: de huidige Koninklijke Academie van Wetenschappen. Het kan niet anders dat de Keizer op de hoogte was Van Marums utilitaire wetenschaps- en cultuuropvatting, die sterk contrasteerde met die van Directeuren van Teylers Stichting. Omdat er al snel verschillende lezingen van Napoleons bezoek aan het museum in omloop waren, besloot Van Marum om die reden zijn versie aan het papier toe te vertrouwen: "Daar van dit gesprek met den Keizer hetgeen door vele lieden, die in het Museum waren, is aangehoord, velerlei strijdige navertellingen gedaan zijn, meen ik wel te doen hetzelve in zijn geheel te geven, zooals het heeft plaats gehad."

Gote Herenkamer Martijn Zegel
De Grote Herenkamer

Bij het oor genomen
Nadat Napoleon in de Damstraat was gearriveerd en in de bestuurskamer audiëntie had verleend aan de stedelijke raad, rechterlijke macht en geestelijkheid van Haarlem, stond het gezelschap even later in de Ovale Zaal, toen nog de enige ruimte van het museum. In het midden stond de vitrine met de gesteenten en daaronder de kasten met prenten en tekeningen, daarnaast stond de reusachtige elektriseermachine opgesteld, rondom de kasten met natuurkundige instrumenten en daarboven de gaanderij met de boeken. Eerst moest presiderend directeur Adriaan van Zeebergh het ontgelden. De Keizer onderhield hem over de inkomsten van het museum, of zoals andere bronnen beweren: hoe groot Teylers nalatenschap was geweest. Omdat Van Zeebergh hier niets over kwijt wilde, wrong deze zich in allerlei bochten zonder een bedrag te noemen. Hodenpijl weet in zijnNapoleon in Nederland(1904, p. 177) nog te melden: "De Keizer verweet den deftigen ouden heer zijn achterhoudendheid, doch eindigde met hem bij 't oor te trekken, zoals meestal 's Keizers handgebaar bij een gemeenzaam onderhoud was." Wel beloofde Van Zeebergh een memorie over de huidige stand van het museum te schrijven en die zo snel mogelijk in te leveren bij Charles Lebrun, Duc de Plaisance, gouverneur-generaal van het ingelijfde gebied die op zijn beurt zou zorgen dat het schrijven bij de Keizer op tafel kwam.

De Ovale Zaal van Teylers Museum
De Ovale Zaal

Taakstelling: praktisch onderzoek en openbare lessen
Geïrriteerd over de hardnekkigheid van Directeuren, wendde de Keizer zich nu -"op een zeer onvriendelijke wijze"-tot Van Marum. Dadelijk kwam het gesprek op de taak van het museum en hoe het stond met de openbare lessen. Hiervoor hadden Directeuren Adriaan van den Ende, een gepensioneerde predikant aangesteld, die meer in hun straatje de lessen voor een select publiek verzorgde. De Keizer was duidelijk niet gecharmeerd van deze aanpak en antwoordde: "Oh, maar dat stelt niet veel voor. Dat is alleen interessant voor dames; je hebt hier juist twee wiskundigen, twee natuurkundigen, twee scheikundigen en twee wetenschappers in de natuurhistorie nodig. De wetenschap is tegenwoordig te veelomvattend voor één persoon." Vervolgens wilde de Keizer wel weten wat Van Marum dan deed. "Heeft u een Zuil van Volta? "Ja Sire!" "Wat heeft u daarmee gedaan?" " Sire, ik heb de essentie van de zogenoemde galvanische vloeistof aangetoond en van de elektrische vloeistof; de werking van de zuil is zuiver elektrisch." Vervolgens vertelde Van Marum over de correspondentie die hij geruime tijd met Volta had gevoerd. "Heeft u hier de samenstelling van water onderzocht?", vervolgde de Keizer. "Ja Sire, het instrument dat ik bij dat experiment heb gebruikt, staat aan de andere kant van de zal." Ook voor deze apparaten toonde de Keizer grote belangstelling, vooral omdat het een simpele en dus minder kostbare versie was van de apparatuur waarmee de Franse scheikundige Lavoisier zijn resultaten had behaald.

Elektriseren voor de keizer
Een uur voordat de Keizer arriveerde was er van de prefect nog het verzoek binnengekomen om Napoleon de grote elektriseermachine te demonstreren. Door de veel te vochtige atmosfeer zou er echter geen vonk te zien zijn, zodat Van Marum de vorst uitnodigde naar een veel droger bovenkamertje in het Fundatiehuis naast de Ovale Zaal te gaan om hem te "laten zien de werking van eene Electrizeer-machine van een geheel nieuw zamenstel". Waarschijnlijk bedoelde Van Marum hiermee zijn eigen uitvinding van een machine met slechts één glazen schijf, welke hij via de Delftse onderneming Onderdewijngaart Canzius op de man bracht. Helaas is deze machine niet meer in het museum voorhanden, en is het wellicht een instrument van Van Marum zelf geweest. Het effect was in ieder geval hetzelfde, want Van Marum bespeurde al "meer en meer de toenemende tevredenheid van den Keizer". Van die extra aandacht maakte Van Marum gebruik de Keizer nog een brief onder de aandacht te brengen van de natuurkundige Claude Louis Bertholet (1748-1822), die in 1798 met Napoleon naar Egypte was gereisd. In deze brief van 7 december 1803 roemde Bertholet de nieuwe elektriseermachine van Van Marum, die hij door de Parijse instrumentmaker Fortin had laten nabouwen. Volgens Bertholet zou er spoedig geen andere elektriseermachine meer in Frankrijk gebruikt worden! Nu hij de aandacht van de Keizer te pakken had durfde Van Marum ook nog een artikel van de Engelse uitvinder en publicist William Nicholson (1753-1815) te laten zien waarin eveneens de Haarlemse vinding werd geroemd.

KH Electriseermachine
De Grote Elektriseermachine

Geldzaken
De volgende vraag van de Keizer kon vervolgens alleen maar zijn: "Wat verdient u hier?" Dat was een heet hangijzer. Van Marums honorarium was tot voor kort 1400 gulden per jaar geweest, niet veel maar voldoende voor de man die een puissant rijke vrouw was getrouwd. Maar dat daar onlangs 400 gulden ter bezuiniging was afgetrokken, stak Van Marum zeer, vooral omdat hij uiteindelijk toch de man was geweest die de wetenschappelijke collecties had aangelegd en Teylers roem over Europa had verspreid. Hij was het zelfs geweest die -door zijn uitstekende Franse contacten- had kunnen voorkomen dat de Fransen in 1795 een deel van de verzamelingen hadden geconfisqueerd. Van Marum vond dat het aan waardering ten ene male ontbrak. Ook de Keizer vond zijn verdiensten veel te weinig. Hij kon wel voor een pensioen zorgen. Maar dat ging Van Marum te ver. "Sire, laat me hier alstublieft nog mijn onderzoek doen", waarop Napoleon zei: "Continuez, mais tachez surtout d'être utile." [Ga zo door, maar tracht vooral nuttig te zijn!] Van Marum had na afloop een goed gevoel over deze ontmoeting, "en hierin werd ik negen dagen daarna nader bevestigd door een fraai vereerend bewijs van zijne tevredenheid, mij op order van de Keizer van het Loo gezonden." Vervolgens reed het gezelschap naar Paviljoen Welgelegen in de Haarlemmerhout waar de Keizer aan de officieren van het garnizoen en de commandant van het elitekorps, de garde d'honneur, audiëntie verleende. Om tien uur reed hij al weer over de Dreef richting Hillegom om Leiden te bezoeken.

Geschrokken Directeuren

De schrik zat er bij Directeuren wel in. Onbekend is of zij het gehele onderhoud tussen Van Marum en de Keizer hebben gevolgd, of ze bijvoorbeeld allemaal mee naar boven gingen om de proef met de elektriseermachine te zien. Misschien geloofden ze het wel en misten daarom Van Marums verkooppraatjes. De notulen reppen met geen woord over het hooggeëerde bezoek, wel een week later over de belofte van Van Zeebergh over de memorie die Charles Lebrun moest worden overhandigd. Dat gebeurde op 29 november van dat jaar. Het stuk was geheel toegesneden op de utilitaire wensen en denkbeelden die het Franse gouvernement er op nahield en zoals die door Napoleon tijdens zijn bezoek waren geuit.

Grootse plannen

De feiten echter waren geheel anders. Lebrun, die wel wist hoe de vork in de steel zat, zond daarop Van Marum een brief met de vraag een plan te ontwerpen om Teylers Stichting maatschappelijk meer rendabel te maken. Het feit dat Van Marum al dezelfde dag een plan indiende, wijst erop dat hij alles al klaar had liggen! Het ging om een onderwijsplan met vier lectoren die onder zijn toezicht werkzaam zouden zijn en de goed geoutilleerde collectie apparaten moesten gebruiken. De crisis van het Franse bewind in 1812-1813 is er zeker debet aan dat plannen niet ten uitvoer werden gebracht, nog los van wat Directeuren van deze plannen hebben gevonden. Ook daar reppen de notulen niet over. We weten wel dat Van Marums ambitieuze project - een volstrekte unieke technische onderwijsinstelling- geheel nieuw was in de Nederlandse onderwijsgeschiedenis. En dat allemaal naar aanleiding van Napoleons bezoek aan Teylers Museum.


NB. Een niet meer te traceren verslag van Mr Johannes Enschede (1785-1866) over Napoleons bezoek aan Haarlem bevatte nog saillante details die elders niet overgeleverd zijn. InJaarboek Haerlem1967 vertelt Mr C.W.D. Vrijland dat Napoleon op de terugweg in het Fundatiehuis nog de Waalse predikant Josué Teissèdre l'Ange tegenkwam die de behoeftige situatie van de hervormde predikanten in het land onder de Keizer zijn aandacht wilde brengen. Napoleon zou toen ondermeer gezegd hebben: "Je ne suis pas l'homme à baiser la mule du Pape." Dit artikel is in papieren vorm gepubliceerd als: B. Sliggers, ' "Wees nuttig". Napoleon in Teylers Museum', in: Napoleon in Nederland, jrg. 1, nr. 2 (2011), pp. 22-25.

Het manuscript van Van Marum's Geschiedenis van Teylers Museum, waarin het bezoek van de keizer uitgebreid aan bod komt, is integraal digitaal beschikbaar op Teylers Universum.

 

18 oktober 2011

E-mail Teylers Museum