KEIZER NAPOLEON IN TEYLERS MUSEUM

Het museum stond zondag 30 oktober 2011 in het teken van
Napoleon. De keizer had veel belangstelling voor de wetenschap. Op 24 oktober 1811 bezocht hij het toen al bestaande Teylers Museum. In de Grote
Herenkamer verleende hij audiëntie aan de Haarlemse notabelen. En hij
kreeg uitleg over de grote Elektriseermachine (de grootste ter wereld),
die zich nog steeds in originele staat bevindt.
Zondag 30 oktober 2011
vertelden rondleiders het verhaal over Napoleon op dezelfde plekken waar
de keizer zijn voetstappen achterliet. Daarnaast bracht Napoleon weer een bezoek aan het museum; bezoekers konden zich met de Franse
keizer laten fotograferen.
De activiteiten maken deel uit van de speciale Napoleon route.
Lees hier over de Napoleon route die Oneindig Noord - Holland zondag 30 oktober organiseert.
Nieuwsgierig naar Napoleons bezoek aan Teylers Museum? Lees dan het artikel hieronder van conservator Bert Sliggers.
Continuez,
mais tachez surtout d'être utile
KEIZER NAPOLEON IN TEYLERS MUSEUM
Door Bert
Sliggers
Nauwelijks was Nederland bij
het Franse Keizerrijk ingelijfd of Napoleon zelf kwam in zijn nieuwe
departementen poolshoogte nemen. Kwam hij op 23 september 1811 te paard in Zeeuws
Vlaanderen aan, precies een maand en een dag later werd Haarlem officieel door
hem bezocht. Overal probeerden dorpen en steden een zo'n goed mogelijke indruk
te maken door erebogen op te richten, openbare gebouwen te verlichten, vuurwerk
af te steken en in het beste Frans
toespraken te houden. En dat in een periode van grote economische malaise,
werkeloosheid en meer afbraak dan nieuwbouw omdat men het onderhoud en de
belastingen niet meer kon betalen. Maar veel begrip hadden de prefecten, de
bestuurders van de nieuwe departementen, niet voor deze situatie.
In haast
Op 24 september kreeg de burgemeester van Haarlem de
opdracht om "de geheele bevolking in beweging te zetten. Men moet de
inwoners engageeren om hunne huizen met tapijten, met bloemwerken en met
emblematas te versieren, men moet alles doen om dit evenement vreugde
bij te zetten. Eindelijk moet er ook gezorgd worden dat er met geen
geweren geschoten worde, of eenige dergelijke vreugdebetooningen plaats
grijpen." Omdat niet precies bekend was wanneer de Keizer en Keizerin
Marie Louise hun bezoek zouden brengen, waren de in allerijl opgerichte
bogen en opgehangen bloemstukken soms al aan vervanging toe als het
bezoek werkelijk plaatsvond. Zo schreef op 15 oktober de onder-prefect
dat alle guirlandes te Haarlem al verwelkt waren en dat deze
onmiddellijk vernieuwd dienden te worden, evenals de erepoorten aan de
invalswegen, omdat het niet onmogelijk was dat het keizerlijk paar
overmorgen de stad zou aandoen.
Bloemen
Eigenlijk was het
alleen de Keizerin die die dag (17 oktober) Haarlem bezocht omdat
Napoleon pas zeer gehaast 's avonds om half acht de burgemeester nog
even de hand schudde, na laat van Beverwijk vertrokken te zijn. Marie
Louise was ondertussen alleen naar Amsterdam afgereisd. Op de Grote
Markt hadden de bewoners van het noodlijdende Diaconiehuis, in ruil voor
een voedzame maaltijd, een palmtak in de hand geduwd gekregen met het
verzoek te zwaaien en vooral te juichen. Ze had gedineerd op Paviljoen
Welgelegen, kort daarvoor nog het zomerpaleis van Koning Lodewijk, en ze
had het beroemde Müllerorgel in de Sint Bavo horen bespelen. Vlak voor
haar vertrek, had Marie Louise kenbaar gemaakt dat zij sommige bloemen
zo mooi had gevonden, waarop het stadsbestuur had beloofd haar iedere
morgen bloemen te bezorgen zolang ze in Amsterdam verbleef. Dat ze had
gezegd er ook wel voor te willen betalen, was niet tegen dovemansoren
verteld. Vlak voor haar vertrek werd haar nog een rekening van 372
gulden in de hoofdstad gepresenteerd.
Haarlem: 24 oktober 1811
Op 24 oktober was het de Keizer die
al om zeven uur 's ochtends uit de hoofdstad naar Haarlem vertrok,
enkele uren later gevolgd door zijn vrouw. Na enkele plichtplegingen ten
overstaan van burgemeester Barnaart, spoedde het gezelschap zich direct
naar Teylers Museum. Omdat bekend is dat Napoleon om tien uur alweer
richting Leiden vertrok, moet de ontvangst in Teylers Museum omstreeks
half negen hebben plaatsgevonden.
Het museum had pas in 1784 officieel zijn deuren geopend maar had in
korte tijd al zo'n bekendheid dat ook de Keizer van dit instituut op het
terrein van kunst als wetenschap kennis wilde nemen. Het was allemaal
begonnen in 1778 bij het overlijden van de rijke Haarlemse
zijdehandelaar en later bankier Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778).
Hij had in zijn testament laten vastleggen dat zijn vergaarde kapitaal
voornamelijk besteed moest worden aan de aanmoediging en bevordering van
kunst, wetenschap en religie. Zijn verzamelingen moesten daartoe worden
uitgebreid, twee geleerde genootschappen moesten een en ander via het
uitschrijven van prijsvragen bevorderen en de behoeftige, bejaarde
medemens werd getrakteerd op een nieuw hofje. Niemand kon toen nog
vermoeden dat het hieruit voortgekomen Teylers Museum het
Verlichtingsbolwerk bij uitstek zou worden.
Kennisoverdracht stond hoog in het vaandel van de eerste directeur
Martinus van Marum (1750-1837). In 1773 promoveerde hij te Groningen tot
doctor in de wijsbegeerte, waarna hij zijn graad in de medicijnen
haalde. Zijn in 1776 gepubliceerde resultaten van proefnemingen met een
zelfgebouwde elektriseermachine werden in de wetenschappelijke wereld
enthousiast ontvangen. In hetzelfde jaar streek Van Marum in Haarlem
neer, welke keuze vooral was ingegeven door het bloeiende intellectuele
leven in deze stad. Hier hield hij openbare lessen en in hetzelfde jaar
werd hij benoemd tot directeur van het natuurhistorisch museum van de
Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, die hij vanaf 1794 bovendien
als secretaris zou dienen. Ondertussen was hij lid geworden van Teylers
Tweede Genootschap en in 1784 aangesteld als directeur van het Museum
en de Bibliotheek van Teylers Stichting. In elk van de genoemde functies
legde hij zich toe op de verbreding van wetenschappelijke kennis en
ideeën. Daarnaast was hij ook zelf als onderzoeker werkzaam. Deze
activiteiten gaven zijn naam een internationale bekendheid.
De aantekeningen van Van Marum
Het zijn de nagelaten
aantekeningen van Van Marum die ons in staat stellen het bezoek van
Napoleon aan Teylers Museum te reconstrueren (Geschiedenis van Teylers Museum, 1823-1833 (manuscript), Collectie Noord-Hollands Archief, Haarlem; Archief van Martinus van Marum,
inv. nr. 9). Hoewel zijn relaas enigszins gekleurd zal zijn door de
ondertussen slechte verhoudingen met het stichtingsbestuur, vijf
Directeuren, zal de strekking van zijn onderhoud met de Keizer wel op
waarheid berusten. In ieder geval werd Van Marum door de Keizer gesterkt
in zijn aanpak ‘ten nutte van het algemeen' en dat overdracht van
kennis naar brede lagen van de bevolking -bijvoorbeeld door onderwijs-
heel belangrijk, zo niet noodzakelijk was. In die richting dachten
Directeuren niet. Van Marum had zich ook al ingezet om van de
Hollandsche Maatschappij een veelomvattend instituut te maken,
gemodelleerd naar het Institut de France, dat door tegenwerking van zijn
superieuren op niets was uitgelopen. Daarna werd Van Marum, onder
Lodewijk Napoleon, benoemd in de commissie tot oprichting van een
Koninklijk Instituut, dat in 1808 gerealiseerd werd: de huidige
Koninklijke Academie van Wetenschappen. Het kan niet anders dat de
Keizer op de hoogte was Van Marums utilitaire wetenschaps- en
cultuuropvatting, die sterk contrasteerde met die van Directeuren van
Teylers Stichting. Omdat er al snel verschillende lezingen van Napoleons
bezoek aan het museum in omloop waren, besloot Van Marum om die reden
zijn versie aan het papier toe te vertrouwen: "Daar van dit gesprek met
den Keizer hetgeen door vele lieden, die in het Museum waren, is
aangehoord, velerlei strijdige navertellingen gedaan zijn, meen ik wel
te doen hetzelve in zijn geheel te geven, zooals het heeft plaats
gehad."

De Grote Herenkamer
Bij het oor genomen
Nadat Napoleon in de Damstraat was
gearriveerd en in de bestuurskamer audiëntie had verleend aan de
stedelijke raad, rechterlijke macht en geestelijkheid van Haarlem, stond
het gezelschap even later in de Ovale Zaal, toen nog de enige ruimte
van het museum. In het midden stond de vitrine met de gesteenten en
daaronder de kasten met prenten en tekeningen, daarnaast stond de
reusachtige elektriseermachine opgesteld, rondom de kasten met
natuurkundige instrumenten en daarboven de gaanderij met de boeken.
Eerst moest presiderend directeur Adriaan van Zeebergh het ontgelden.
De Keizer onderhield hem over de inkomsten van het museum, of zoals
andere bronnen beweren: hoe groot Teylers nalatenschap was geweest.
Omdat Van Zeebergh hier niets over kwijt wilde, wrong deze zich in
allerlei bochten zonder een bedrag te noemen. Hodenpijl weet in
zijnNapoleon in Nederland(1904, p. 177) nog te melden: "De Keizer
verweet den deftigen ouden heer zijn achterhoudendheid, doch eindigde
met hem bij 't oor te trekken, zoals meestal 's Keizers handgebaar bij
een gemeenzaam onderhoud was." Wel beloofde Van Zeebergh een memorie
over de huidige stand van het museum te schrijven en die zo snel
mogelijk in te leveren bij Charles Lebrun, Duc de Plaisance,
gouverneur-generaal van het ingelijfde gebied die op zijn beurt zou
zorgen dat het schrijven bij de Keizer op tafel kwam.

De Ovale Zaal
Taakstelling: praktisch onderzoek en openbare lessen
Geïrriteerd
over de hardnekkigheid van Directeuren, wendde de Keizer zich nu -"op
een zeer onvriendelijke wijze"-tot Van Marum. Dadelijk kwam het gesprek
op de taak van het museum en hoe het stond met de openbare lessen.
Hiervoor hadden Directeuren Adriaan van den Ende, een gepensioneerde
predikant aangesteld, die meer in hun straatje de lessen voor een select
publiek verzorgde. De Keizer was duidelijk niet gecharmeerd van deze
aanpak en antwoordde: "Oh, maar dat stelt niet veel voor. Dat is alleen
interessant voor dames; je hebt hier juist twee wiskundigen, twee
natuurkundigen, twee scheikundigen en twee wetenschappers in de
natuurhistorie nodig. De wetenschap is tegenwoordig te veelomvattend
voor één persoon." Vervolgens wilde de Keizer wel weten wat Van Marum
dan deed.
"Heeft u een Zuil van Volta?
"Ja Sire!"
"Wat heeft u daarmee gedaan?"
" Sire, ik heb de essentie van de zogenoemde galvanische vloeistof
aangetoond en van de elektrische vloeistof; de werking van de zuil is
zuiver elektrisch." Vervolgens vertelde Van Marum over de
correspondentie die hij geruime tijd met Volta had gevoerd.
"Heeft u hier de samenstelling van water onderzocht?", vervolgde de Keizer.
"Ja Sire, het instrument dat ik bij dat experiment heb gebruikt,
staat aan de andere kant van de zal." Ook voor deze apparaten toonde de
Keizer grote belangstelling, vooral omdat het een simpele en dus minder
kostbare versie was van de apparatuur waarmee de Franse scheikundige
Lavoisier zijn resultaten had behaald.
Elektriseren voor de keizer
Een
uur voordat de Keizer arriveerde was er van de prefect nog het verzoek
binnengekomen om Napoleon de grote elektriseermachine te demonstreren.
Door de veel te vochtige atmosfeer zou er echter geen vonk te zien zijn,
zodat Van Marum de vorst uitnodigde naar een veel droger bovenkamertje
in het Fundatiehuis naast de Ovale Zaal te gaan om hem te "laten zien de
werking van eene Electrizeer-machine van een geheel nieuw zamenstel".
Waarschijnlijk bedoelde Van Marum hiermee zijn eigen uitvinding van een
machine met slechts één glazen schijf, welke hij via de Delftse
onderneming Onderdewijngaart Canzius op de man bracht. Helaas is deze
machine niet meer in het museum voorhanden, en is het wellicht een
instrument van Van Marum zelf geweest. Het effect was in ieder geval
hetzelfde, want Van Marum bespeurde al "meer en meer de toenemende
tevredenheid van den Keizer". Van die extra aandacht maakte Van Marum
gebruik de Keizer nog een brief onder de aandacht te brengen van de
natuurkundige Claude Louis Bertholet (1748-1822), die in 1798 met
Napoleon naar Egypte was gereisd. In deze brief van 7 december 1803
roemde Bertholet de nieuwe elektriseermachine van Van Marum, die hij
door de Parijse instrumentmaker Fortin had laten nabouwen. Volgens
Bertholet zou er spoedig geen andere elektriseermachine meer in
Frankrijk gebruikt worden! Nu hij de aandacht van de Keizer te pakken
had durfde Van Marum ook nog een artikel van de Engelse uitvinder en
publicist William Nicholson (1753-1815) te laten zien waarin eveneens de
Haarlemse vinding werd geroemd.

De Grote Elektriseermachine
Geldzaken
De volgende vraag van de Keizer kon vervolgens
alleen maar zijn: "Wat verdient u hier?" Dat was een heet hangijzer. Van
Marums honorarium was tot voor kort 1400 gulden per jaar geweest, niet
veel maar voldoende voor de man die een puissant rijke vrouw was
getrouwd. Maar dat daar onlangs 400 gulden ter bezuiniging was
afgetrokken, stak Van Marum zeer, vooral omdat hij uiteindelijk toch de
man was geweest die de wetenschappelijke collecties had aangelegd en
Teylers roem over Europa had verspreid. Hij was het zelfs geweest die
-door zijn uitstekende Franse contacten- had kunnen voorkomen dat de
Fransen in 1795 een deel van de verzamelingen hadden geconfisqueerd. Van
Marum vond dat het aan waardering ten ene male ontbrak. Ook de Keizer
vond zijn verdiensten veel te weinig. Hij kon wel voor een pensioen
zorgen. Maar dat ging Van Marum te ver. "Sire, laat me hier alstublieft
nog mijn onderzoek doen", waarop Napoleon zei: "Continuez, mais tachez
surtout d'être utile." [Ga zo door, maar tracht vooral nuttig te zijn!]
Van Marum had na afloop een goed gevoel over deze ontmoeting, "en
hierin werd ik negen dagen daarna nader bevestigd door een fraai
vereerend bewijs van zijne tevredenheid, mij op order van de Keizer van
het Loo gezonden."
Vervolgens reed het gezelschap naar Paviljoen Welgelegen in de
Haarlemmerhout waar de Keizer aan de officieren van het garnizoen en de
commandant van het elitekorps, de garde d'honneur, audiëntie verleende.
Om tien uur reed hij al weer over de Dreef richting Hillegom om Leiden
te bezoeken.
Geschrokken Directeuren
De schrik zat er bij Directeuren wel
in. Onbekend is of zij het gehele onderhoud tussen Van Marum en de
Keizer hebben gevolgd, of ze bijvoorbeeld allemaal mee naar boven gingen
om de proef met de elektriseermachine te zien. Misschien geloofden ze
het wel en misten daarom Van Marums verkooppraatjes. De notulen reppen
met geen woord over het hooggeëerde bezoek, wel een week later over de
belofte van Van Zeebergh over de memorie die Charles Lebrun moest worden
overhandigd. Dat gebeurde op 29 november van dat jaar. Het stuk was
geheel toegesneden op de utilitaire wensen en denkbeelden die het Franse
gouvernement er op nahield en zoals die door Napoleon tijdens zijn
bezoek waren geuit.
Grootse plannen
De feiten echter waren
geheel anders. Lebrun, die wel wist hoe de vork in de steel zat, zond
daarop Van Marum een brief met de vraag een plan te ontwerpen om Teylers
Stichting maatschappelijk meer rendabel te maken. Het feit dat Van
Marum al dezelfde dag een plan indiende, wijst erop dat hij alles al
klaar had liggen! Het ging om een onderwijsplan met vier lectoren die
onder zijn toezicht werkzaam zouden zijn en de goed geoutilleerde
collectie apparaten moesten gebruiken. De crisis van het Franse bewind
in 1812-1813 is er zeker debet aan dat plannen niet ten uitvoer werden
gebracht, nog los van wat Directeuren van deze plannen hebben gevonden.
Ook daar reppen de notulen niet over. We weten wel dat Van Marums
ambitieuze project - een volstrekte unieke technische
onderwijsinstelling- geheel nieuw was in de Nederlandse
onderwijsgeschiedenis. En dat allemaal naar aanleiding van Napoleons
bezoek aan Teylers Museum.
NB. Een niet meer te traceren verslag van Mr Johannes Enschede
(1785-1866) over Napoleons bezoek aan Haarlem bevatte nog saillante
details die elders niet overgeleverd zijn. InJaarboek Haerlem1967
vertelt Mr C.W.D. Vrijland dat Napoleon op de terugweg in het
Fundatiehuis nog de Waalse predikant Josué Teissèdre l'Ange tegenkwam
die de behoeftige situatie van de hervormde predikanten in het land
onder de Keizer zijn aandacht wilde brengen. Napoleon zou toen ondermeer
gezegd hebben: "Je ne suis pas l'homme à baiser la mule du Pape."
Dit artikel is in papieren vorm gepubliceerd als: B. Sliggers, ' "Wees nuttig". Napoleon in Teylers Museum', in: Napoleon in Nederland, jrg. 1, nr. 2 (2011), pp. 22-25.
Het manuscript van Van Marum's Geschiedenis van Teylers Museum, waarin het bezoek van de keizer uitgebreid aan bod komt, is integraal digitaal beschikbaar op Teylers Universum.


